woensdag 30 maart 2011

chronologica

1

Rook kringelt op uit de kop van mijn pijp en vermengt zich met de nevelen van dit mistige land. Voor het eerst in mijn leven denk ik dat ik begrijp, meer dan moeite. Gestoken in een geopende hand. Hoon in raad verpakkend:
Wijs heides aan
Waar de kasten van de imker
Tussen de bloemen staan

In gedachten zie ik de meisjes uit mijn klas weer touwtjespringen. Met verwrongen gezichten en vanuit de onderbuiken zingend. Ik trek aan mijn pijp en maak de kast dicht.

2

Op de radio is een toespraak van doktor Wetendorst. De kat heeft ooit op de bank gekotst en ik pulk wat aan de korst voor ik de radio harder zet.
‘Zij lijken in de tijd te kunnen reizen. Toch valt het tegendeel direct te bewijzen omdat zij, naast in die wereld met een achterwaartse lijn, eveneens in de normale kalender gevangen zijn en, in het laatste geval nog meer, niet voldoende of zelfs niet gemaskeerd.
Deze fluctuaties in hun chronologische beleving gaan telkens gepaard met een min of meer artistieke opleving, een ejaculatie van straal na straal werk dat - zie de kleine W - altijd door zichzelf wordt beperkt. Vastgezet in een te krap kader. Naderhand - of als je wil van tevoren -
zogenaamd onthullen wat al bekend is door te spelen met woorden.’


3

Melk klopt op de deur. Hij twijfelt, loopt naar het raam en kijkt naar het interieur. Ik maak open en groet hem. Teleurgesteld hoor ik hoe hij antwoord met zijn bloedstem. ‘Ik ben Melk, ik kom uit de verre koren, ik ben de levende heer van de sterke toren’ Hij volgt me naar de woonkamer en neemt plaats op de bank. Ik haal de watjes uit mijn oren en neem een slokje vruchtendrank voor ik antwoord ‘Hoort! Melk is hier, schaart u nu samen voor ’t laatste kwartier!’ Hij grijnst.
‘Ik moet je vertellen, mijn vriend, het lijkt erop dat het zo is’
Ze hebben het allen verdiend’ antwoord ik waarop hij knikt. Hoeveel keren eerder zaten wij hier niet tezamen, Melk steeds zichzelf en ik telkens met een andere naam.
‘Mijn vader, mijn broeder, mijn zoon en mijn moeder, mijn dochter en zuster en dat wat ons bindt, al dat te weten valt is geschreven, door velen, maar zij die het lezen zijn blind’ hij legt zijn hand op mijn hoofd en er rolt een traan over mijn wang.

16

Ik kijk naar de muur, tel de bakstenen en geef ze namen. ‘Luister lieve vriendjes,’ zeg ik ‘wat houdt jullie samen?’ Rollend en in veelvoud, met drift komt de respons ‘wij zijn sterk omdat wij scheiden, en wij voegen ons’ Ik zwaai naar de poort en hij zwaait open, ik passeer. De muur en haar bakstenen zie ik nimmer meer.

5

Is dit de voortgang? De neerlegging van de belofte, de achterwaartse reis?
Hoeveel schreden ben je verwijderd van jezelf of je paradijs als deze vraag wordt gesteld op heldere dag? Verder dan de herder in wie men het lam zag. Er wacht een nacht voor allen, en allen zullen slapen maar slechts weinig kale apen zullen ’s ochtends weer ontwaken.

maandag 28 maart 2011

Restenkozer

Restenkozers

In de studie der nagestaltes, en wel in de leringen van Askotadi vinden we voor het eerst de naam ‘restenkozer’ (paramagapis).
De term wordt hier gebruikt om verschillende leden van een groep verwilderde honden op de vlaktes van het kleine Eqbense schiereiland Avgora – die wij elders terugzien onder de naam aerelefthi en wiens motto ‘vrij als de lucht’ was – te beschrijven nadat zij door verregaande verschilling niet langer gelijk waren aan hun voortbrengers.
Naar mijn mening berust het ontstaan van deze term paramagapis op een vertaalfout die Askotadi of zijn bron maakte. Het Eqbens wordt zonder spaties geschreven, en is gevoelig voor interpretatie. Een voorbeeld bestaat in de tekst van het ‘lied van dar’ en de verschillende vertalingen.
Maar net zoals ‘doûytz’ dat oorspronkelijk de betekenis van ‘wind’ of – volgens Limzeln – ‘donderwolk’ had en via de vertaling van deze zelfde Askotadi als kartetheis zijn plaats vond in Unomos’ Boek der valsen – wat de bron is van ons ‘kaartvlieger’ – heeft paramagapis een waarde gekregen die zoveel groter is dan zijn betekenis. De roodgeverfde priesteressen van Arstarya; de zogeheten ‘Shridych’ en hun Skattense equivalent, de ‘Mamay’ zijn geworden wat Askotadi voor ogen had toen hij de samentrekking paramagapis al die jaren daarvoor schreef. Dat er geen enkele Schridychi of Mamayus is die ooit heeft gehoord van Askotadi maakt niets uit voor de huidige restenkozers die, zoals Modoz schrijft ‘achterstevoren lopen’.

Het verhaal van de Avgoraanse honden wordt zelden verteld in de hedendaagse voor de massa geschreven restenkozershandboeken. Volgens de versie waarop Askotadi zich baseerde, draaiden de verschilde honden. Ze draaiden zich en bleven draaien. Ze dachten hun motto ‘vrij als de lucht’ te zijn ontgroeid maar vonden nu alleen hun eigen staart. In Unomos’ Boek der valsen staat de versie van Nychtas, die verder gaat. De honden kunnen hun staart niet vangen. Maar het wordt het hoogste in hun bestaan. En grappig genoeg, zien zij hun eigen stront als waardevol. De voortdurende drang om deze eigen shit aan te prijzen werd hen uiteindelijk fataal, en de originele restenkozers zijn niet meer; nu zelf verworden tot resten.

vrijdag 18 maart 2011

De yogi vroeg zijn leerling
‘wat is de wijze?’
Zijn leerling dacht niet lang na
‘de wijze ziet dat hij niet een ik is maar dat hij deel is van een wij en dat dit wij bovendien gelijk is aan ze zodat alles één is verenigd door de woorden wij en ze’
De yogi sloeg zijn leerling met zijn staf
‘De wijze is een ierse man!’

De yogi vroeg zijn leerling
‘wat is de manier?’
Zijn leerling hield zijn handen beschermend om zijn hoofd gevouwen
‘er is meer dan één’
De yogi nam zijn staf
‘wat zijn de manieren?’
De leerling liet zijn handen zakken en keek de yogi aan
‘zij doen ons verschillen van de beesten’

De yogi vroeg zijn leerling
‘wat is verschil?’
Zijn leerling boog zijn hoofd
Uit Yoyoyoyoyowodsop van Inge Wijd

Is het mogelijk om te veranderen in iets dat nauw verwant is aan de originele vorm?
Nee; ver geeft aan dat het andere niet dichtbij staat. Een lichte verandering kan dus niets anders zijn dan een stap aan het begin van een reeks steeds verdergaande veranderingen die tenslotte leiden tot een staat die ver van het andere af staat. Zoals het lichaam van de mens elke dag een klein beetje anders is dan de dag ervoor – totdat tenslotte het lichaam sterft en het levende dood is geworden.
Het andere is dus iets wat elk ding dat verandert uiteindelijk wordt. Maar ‘het andere’ omvat een veelvoud van vormen, anders dan ‘het tegendeel’ dat zich bij een verandering in een oneindige lus plaatst. Dag wordt nacht wordt dag. Maar dag verandert van ochtend in middag in avond naar nacht en toont zo hoe ‘het andere’ leidt tot het tegendeel.*1

Verandering zou moeten worden bewaard voor het tegendeel. De kleine veranderingen, die stappen in het proces zijn, zouden beter passen onder de naam ‘verschilling’ (via ‘onverschillig’ en de schil der oppervlakkigheid)
Zo kunnen de stadia van bijvoorbeeld het mensenleven worden benoemd als de diverse verschillingen die leiden tot de verandering. Het mensenleven start dus als tweevoudigheid; twee aan elkaar tegengestelde delen die samensmelten (althans, mens betekent ‘de geest, gedachte, intellect’ maar wij zullen in dit voorbeeld beginnen met het lichamelijke leven waarbij eicel en zaadcel samenkomen en de toevoeging van de geest, het intellect – mens – dan ook hier plaatsen en niet ervoor of erna*2)
Nu hebben we dus ook bepaald op welke graad we dit proces willen duiden. Voor een begin hierin kunnen we ermee volstaan het te schrijven als ‘eerste’ verschilling. Op één niveau is deze ‘eerste’ verschilling (de samenkomst en versmelting van eicel en zaadcel) een verandering. De twee cellen waren gescheiden, inwoners van verschillende werelden – lichamen – die samenkwamen en daardoor tegengesteld aan de vorige situatie. Maar deze versmelting zou niet plaatsvinden zonder een groot aantal voorgaande stappen (die op een ander niveau worden gezien als andere processen die misschien niet eens zijn verbonden) die onderling dichtbij elkaar liggen en verschillingen zijn die leiden tot een (sub)verandering.
De op de samensmelting volgende stadia van groei zijn dan verschillingen die leiden tot de volgende stap; de geboorte. Is dit een verandering? Ja, de mens is niet meer in de moeder. De mens is nu pas geworden. Nee, de mens is verschild; het is een verschilling.

De verandering komt uiteindelijk met de dood.*3 Daar aangekomen is er werkelijk een tegenstelling met de voorgaande staat van zijn. En hier is het dan ook dat de volgende fase van verschillingen begint (opnieuw: afhankelijk van de wijze waarop we kijken – zijn het vergaan van het lichaam en de volledige terugtrekking van de herinnering stappen in het worden van een levend mens ergens anders op de wereld*4 of zijn het stappen in niet gerelateerde processen)


1 Het is interessant om eens na te denken over die verdeling in 4 waarbij er drie tegenover 1 staan. Ochtend, middag en avond versus nacht. Want ’n acht verwijst naar de eeuwige lus van het tegendeel.
2 Dus kunnen wij hier waarlijk spreken van een ‘mens en leven’ als de samenkomst van geest en lichaam.
3 Een geweldig tegenargument zou zijn dat dood een palindroom is en in zichzelf een eeuwige lus heeft. Dan zou het leven dat wij denken te ervaren ook zijn tegendeel zijn en slechts nevel.
4 Via de stoffelijke gedachte dat het volledig ontbonden lichaam is opgegaan in de aarde om ander leven te worden; misschien een worm die wordt gegeten of via celmigratie waar uiteindelijk een gewas groeit dat wordt geëxporteerd en gegeten op plaatsen ver van zijn oogstplaats.

zaterdag 12 maart 2011

?

Bitter en zoet
het moet gezegd:
Hetgeen dat ge doet
is goed noch slecht