1
Rook kringelt op uit de kop van mijn pijp en vermengt zich met de nevelen van dit mistige land. Voor het eerst in mijn leven denk ik dat ik begrijp, meer dan moeite. Gestoken in een geopende hand. Hoon in raad verpakkend:
Wijs heides aan
Waar de kasten van de imker
Tussen de bloemen staan
In gedachten zie ik de meisjes uit mijn klas weer touwtjespringen. Met verwrongen gezichten en vanuit de onderbuiken zingend. Ik trek aan mijn pijp en maak de kast dicht.
2
Op de radio is een toespraak van doktor Wetendorst. De kat heeft ooit op de bank gekotst en ik pulk wat aan de korst voor ik de radio harder zet.
‘Zij lijken in de tijd te kunnen reizen. Toch valt het tegendeel direct te bewijzen omdat zij, naast in die wereld met een achterwaartse lijn, eveneens in de normale kalender gevangen zijn en, in het laatste geval nog meer, niet voldoende of zelfs niet gemaskeerd.
Deze fluctuaties in hun chronologische beleving gaan telkens gepaard met een min of meer artistieke opleving, een ejaculatie van straal na straal werk dat - zie de kleine W - altijd door zichzelf wordt beperkt. Vastgezet in een te krap kader. Naderhand - of als je wil van tevoren -
zogenaamd onthullen wat al bekend is door te spelen met woorden.’
3
Melk klopt op de deur. Hij twijfelt, loopt naar het raam en kijkt naar het interieur. Ik maak open en groet hem. Teleurgesteld hoor ik hoe hij antwoord met zijn bloedstem. ‘Ik ben Melk, ik kom uit de verre koren, ik ben de levende heer van de sterke toren’ Hij volgt me naar de woonkamer en neemt plaats op de bank. Ik haal de watjes uit mijn oren en neem een slokje vruchtendrank voor ik antwoord ‘Hoort! Melk is hier, schaart u nu samen voor ’t laatste kwartier!’ Hij grijnst.
‘Ik moet je vertellen, mijn vriend, het lijkt erop dat het zo is’ ‘
Ze hebben het allen verdiend’ antwoord ik waarop hij knikt. Hoeveel keren eerder zaten wij hier niet tezamen, Melk steeds zichzelf en ik telkens met een andere naam.
‘Mijn vader, mijn broeder, mijn zoon en mijn moeder, mijn dochter en zuster en dat wat ons bindt, al dat te weten valt is geschreven, door velen, maar zij die het lezen zijn blind’ hij legt zijn hand op mijn hoofd en er rolt een traan over mijn wang.
16
Ik kijk naar de muur, tel de bakstenen en geef ze namen. ‘Luister lieve vriendjes,’ zeg ik ‘wat houdt jullie samen?’ Rollend en in veelvoud, met drift komt de respons ‘wij zijn sterk omdat wij scheiden, en wij voegen ons’ Ik zwaai naar de poort en hij zwaait open, ik passeer. De muur en haar bakstenen zie ik nimmer meer.
5
Is dit de voortgang? De neerlegging van de belofte, de achterwaartse reis?
Hoeveel schreden ben je verwijderd van jezelf of je paradijs als deze vraag wordt gesteld op heldere dag? Verder dan de herder in wie men het lam zag. Er wacht een nacht voor allen, en allen zullen slapen maar slechts weinig kale apen zullen ’s ochtends weer ontwaken.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten