vrijdag 24 juni 2011

Tunnelblindheid



This is the threshold of life; this is the threshold of death. All is doubtful, all is mysterious, all is intoxicating. (the Book of Thoth)

vrijdag 29 april 2011

sleutel

'Jij bent als een planeetje dat om een ster heen draait.'

Ik barstte in snikken uit. Zo waar.



'Daarom doe je ook altijd zo laag en vanuit de hoogte. Steeds bezig met je positie.'

dinsdag 19 april 2011

GijT



Inge is niet bijzonder. Ze is niet beter dan een ander. Zij heeft vriendjes en vriendinnen die haar om haar eigenheid beminnen. Maar Inge is niet beter dan ik. Tijdens muziekles speelt Inge de fluit want zij kent het geheim ervan. ‘Je brengt het instrument tot leven met je adem’ zegt zij dan iedere keer weer voor ze haar lipjes tuit. ‘Blazen!’ giechel ik.

maandag 18 april 2011

nieuw..

‘…In de wereld van de hypothetische haat bestaat niets zonder bijsmaakje. Elke lettergreep wordt aan het handvat vastgenomen om harder met het woord te kunnen slaan. Zelfs in de noodzakelijke stiltes of spaties tussen de afzonderlijke woorden is de storm te voelen voor wie dat wil.
In de daarmee vermengde wereld van stille worsteling is niets zonder gevolgen. Elke cel die afsterft is het onvermijdelijke gevolg van de voortdurende aanval van grote vijand Tijd – die wij altijd betrekken in onze overleggingen waardoor hij onze plannen kent en verijdelt. En wanneer we hem hebben overwonnen blijkt dat we dat beter hadden kunnen laten. Er is geen tijd meer!…’

Volgens Alte Gest in zijn nieuwste letterverzameling Worsteling. Het bovenstaande stuk is typisch Gestwerk; van de hik op de tik zonder ergens verder te gaan dan het benoemen van wat vale gedachtenflarden die hij waarschijnlijk zelf geeneens begrijpt.
In de compilatietekst voor het jubileumnummer van Kaarsenbrander heb ik een zin uit Darenhir gebruikt. In de voetnoot zette ik dat Gest dit werk gedurende zijn overlijden schreef… Ik vraag me af waarom ik toen dacht dat hij dood was. Of waarom ik nu denk dat hij leeft. In ieder geval gaf m’n moeder me vanmorgen deze letters.
`'.`',`'.`',`'.`',`'.`',`'.`',`'.`',`'.`',`'.`',`'.`',`'.`',`'.`',`'.`',`'.`',`'.`',
Experts zeiden:

‘Ik dacht dat het over worsten ging!’
· Indje Syzifil coauteur van Nizno

‘Met uitzondering van Rijkhart’s De piramide in het Oog en – in mindere mate – zijn Pilarische Conedie, waarin terugkerend personage Árdman wederom geen enkele rol van betekenis speelt (…) heb ik geen slechter boek gelezen.’
· Minarandellastryxeria auteur van sint Helaas

‘Alweer een keer?’
· Gyna Vaz auteur van Oog omhoog en hoofdredactrice van Tochtkruizen

‘Dit is gewoon een duidelijk geschreven boek. Over de inhoud laat ik mij niet uit.’
· ‘Jan Jansen’

maandag 4 april 2011

prologisch

Haar Vuur

Zij en haar vuur waren samen
Met duizend-en-geen namen
Alle mannen deed zij ontvlammen
En haar kinderen kwamen

De stapel groeide groter
Het hele hoofd vol boter
Knisperig, krokant en zwart
Verbrandde zij haar koters

En de assen verstrooid in de wind
Want niet één was haar enige Kind

woensdag 30 maart 2011

chronologica

1

Rook kringelt op uit de kop van mijn pijp en vermengt zich met de nevelen van dit mistige land. Voor het eerst in mijn leven denk ik dat ik begrijp, meer dan moeite. Gestoken in een geopende hand. Hoon in raad verpakkend:
Wijs heides aan
Waar de kasten van de imker
Tussen de bloemen staan

In gedachten zie ik de meisjes uit mijn klas weer touwtjespringen. Met verwrongen gezichten en vanuit de onderbuiken zingend. Ik trek aan mijn pijp en maak de kast dicht.

2

Op de radio is een toespraak van doktor Wetendorst. De kat heeft ooit op de bank gekotst en ik pulk wat aan de korst voor ik de radio harder zet.
‘Zij lijken in de tijd te kunnen reizen. Toch valt het tegendeel direct te bewijzen omdat zij, naast in die wereld met een achterwaartse lijn, eveneens in de normale kalender gevangen zijn en, in het laatste geval nog meer, niet voldoende of zelfs niet gemaskeerd.
Deze fluctuaties in hun chronologische beleving gaan telkens gepaard met een min of meer artistieke opleving, een ejaculatie van straal na straal werk dat - zie de kleine W - altijd door zichzelf wordt beperkt. Vastgezet in een te krap kader. Naderhand - of als je wil van tevoren -
zogenaamd onthullen wat al bekend is door te spelen met woorden.’


3

Melk klopt op de deur. Hij twijfelt, loopt naar het raam en kijkt naar het interieur. Ik maak open en groet hem. Teleurgesteld hoor ik hoe hij antwoord met zijn bloedstem. ‘Ik ben Melk, ik kom uit de verre koren, ik ben de levende heer van de sterke toren’ Hij volgt me naar de woonkamer en neemt plaats op de bank. Ik haal de watjes uit mijn oren en neem een slokje vruchtendrank voor ik antwoord ‘Hoort! Melk is hier, schaart u nu samen voor ’t laatste kwartier!’ Hij grijnst.
‘Ik moet je vertellen, mijn vriend, het lijkt erop dat het zo is’
Ze hebben het allen verdiend’ antwoord ik waarop hij knikt. Hoeveel keren eerder zaten wij hier niet tezamen, Melk steeds zichzelf en ik telkens met een andere naam.
‘Mijn vader, mijn broeder, mijn zoon en mijn moeder, mijn dochter en zuster en dat wat ons bindt, al dat te weten valt is geschreven, door velen, maar zij die het lezen zijn blind’ hij legt zijn hand op mijn hoofd en er rolt een traan over mijn wang.

16

Ik kijk naar de muur, tel de bakstenen en geef ze namen. ‘Luister lieve vriendjes,’ zeg ik ‘wat houdt jullie samen?’ Rollend en in veelvoud, met drift komt de respons ‘wij zijn sterk omdat wij scheiden, en wij voegen ons’ Ik zwaai naar de poort en hij zwaait open, ik passeer. De muur en haar bakstenen zie ik nimmer meer.

5

Is dit de voortgang? De neerlegging van de belofte, de achterwaartse reis?
Hoeveel schreden ben je verwijderd van jezelf of je paradijs als deze vraag wordt gesteld op heldere dag? Verder dan de herder in wie men het lam zag. Er wacht een nacht voor allen, en allen zullen slapen maar slechts weinig kale apen zullen ’s ochtends weer ontwaken.

maandag 28 maart 2011

Restenkozer

Restenkozers

In de studie der nagestaltes, en wel in de leringen van Askotadi vinden we voor het eerst de naam ‘restenkozer’ (paramagapis).
De term wordt hier gebruikt om verschillende leden van een groep verwilderde honden op de vlaktes van het kleine Eqbense schiereiland Avgora – die wij elders terugzien onder de naam aerelefthi en wiens motto ‘vrij als de lucht’ was – te beschrijven nadat zij door verregaande verschilling niet langer gelijk waren aan hun voortbrengers.
Naar mijn mening berust het ontstaan van deze term paramagapis op een vertaalfout die Askotadi of zijn bron maakte. Het Eqbens wordt zonder spaties geschreven, en is gevoelig voor interpretatie. Een voorbeeld bestaat in de tekst van het ‘lied van dar’ en de verschillende vertalingen.
Maar net zoals ‘doûytz’ dat oorspronkelijk de betekenis van ‘wind’ of – volgens Limzeln – ‘donderwolk’ had en via de vertaling van deze zelfde Askotadi als kartetheis zijn plaats vond in Unomos’ Boek der valsen – wat de bron is van ons ‘kaartvlieger’ – heeft paramagapis een waarde gekregen die zoveel groter is dan zijn betekenis. De roodgeverfde priesteressen van Arstarya; de zogeheten ‘Shridych’ en hun Skattense equivalent, de ‘Mamay’ zijn geworden wat Askotadi voor ogen had toen hij de samentrekking paramagapis al die jaren daarvoor schreef. Dat er geen enkele Schridychi of Mamayus is die ooit heeft gehoord van Askotadi maakt niets uit voor de huidige restenkozers die, zoals Modoz schrijft ‘achterstevoren lopen’.

Het verhaal van de Avgoraanse honden wordt zelden verteld in de hedendaagse voor de massa geschreven restenkozershandboeken. Volgens de versie waarop Askotadi zich baseerde, draaiden de verschilde honden. Ze draaiden zich en bleven draaien. Ze dachten hun motto ‘vrij als de lucht’ te zijn ontgroeid maar vonden nu alleen hun eigen staart. In Unomos’ Boek der valsen staat de versie van Nychtas, die verder gaat. De honden kunnen hun staart niet vangen. Maar het wordt het hoogste in hun bestaan. En grappig genoeg, zien zij hun eigen stront als waardevol. De voortdurende drang om deze eigen shit aan te prijzen werd hen uiteindelijk fataal, en de originele restenkozers zijn niet meer; nu zelf verworden tot resten.

vrijdag 18 maart 2011

De yogi vroeg zijn leerling
‘wat is de wijze?’
Zijn leerling dacht niet lang na
‘de wijze ziet dat hij niet een ik is maar dat hij deel is van een wij en dat dit wij bovendien gelijk is aan ze zodat alles één is verenigd door de woorden wij en ze’
De yogi sloeg zijn leerling met zijn staf
‘De wijze is een ierse man!’

De yogi vroeg zijn leerling
‘wat is de manier?’
Zijn leerling hield zijn handen beschermend om zijn hoofd gevouwen
‘er is meer dan één’
De yogi nam zijn staf
‘wat zijn de manieren?’
De leerling liet zijn handen zakken en keek de yogi aan
‘zij doen ons verschillen van de beesten’

De yogi vroeg zijn leerling
‘wat is verschil?’
Zijn leerling boog zijn hoofd
Uit Yoyoyoyoyowodsop van Inge Wijd

Is het mogelijk om te veranderen in iets dat nauw verwant is aan de originele vorm?
Nee; ver geeft aan dat het andere niet dichtbij staat. Een lichte verandering kan dus niets anders zijn dan een stap aan het begin van een reeks steeds verdergaande veranderingen die tenslotte leiden tot een staat die ver van het andere af staat. Zoals het lichaam van de mens elke dag een klein beetje anders is dan de dag ervoor – totdat tenslotte het lichaam sterft en het levende dood is geworden.
Het andere is dus iets wat elk ding dat verandert uiteindelijk wordt. Maar ‘het andere’ omvat een veelvoud van vormen, anders dan ‘het tegendeel’ dat zich bij een verandering in een oneindige lus plaatst. Dag wordt nacht wordt dag. Maar dag verandert van ochtend in middag in avond naar nacht en toont zo hoe ‘het andere’ leidt tot het tegendeel.*1

Verandering zou moeten worden bewaard voor het tegendeel. De kleine veranderingen, die stappen in het proces zijn, zouden beter passen onder de naam ‘verschilling’ (via ‘onverschillig’ en de schil der oppervlakkigheid)
Zo kunnen de stadia van bijvoorbeeld het mensenleven worden benoemd als de diverse verschillingen die leiden tot de verandering. Het mensenleven start dus als tweevoudigheid; twee aan elkaar tegengestelde delen die samensmelten (althans, mens betekent ‘de geest, gedachte, intellect’ maar wij zullen in dit voorbeeld beginnen met het lichamelijke leven waarbij eicel en zaadcel samenkomen en de toevoeging van de geest, het intellect – mens – dan ook hier plaatsen en niet ervoor of erna*2)
Nu hebben we dus ook bepaald op welke graad we dit proces willen duiden. Voor een begin hierin kunnen we ermee volstaan het te schrijven als ‘eerste’ verschilling. Op één niveau is deze ‘eerste’ verschilling (de samenkomst en versmelting van eicel en zaadcel) een verandering. De twee cellen waren gescheiden, inwoners van verschillende werelden – lichamen – die samenkwamen en daardoor tegengesteld aan de vorige situatie. Maar deze versmelting zou niet plaatsvinden zonder een groot aantal voorgaande stappen (die op een ander niveau worden gezien als andere processen die misschien niet eens zijn verbonden) die onderling dichtbij elkaar liggen en verschillingen zijn die leiden tot een (sub)verandering.
De op de samensmelting volgende stadia van groei zijn dan verschillingen die leiden tot de volgende stap; de geboorte. Is dit een verandering? Ja, de mens is niet meer in de moeder. De mens is nu pas geworden. Nee, de mens is verschild; het is een verschilling.

De verandering komt uiteindelijk met de dood.*3 Daar aangekomen is er werkelijk een tegenstelling met de voorgaande staat van zijn. En hier is het dan ook dat de volgende fase van verschillingen begint (opnieuw: afhankelijk van de wijze waarop we kijken – zijn het vergaan van het lichaam en de volledige terugtrekking van de herinnering stappen in het worden van een levend mens ergens anders op de wereld*4 of zijn het stappen in niet gerelateerde processen)


1 Het is interessant om eens na te denken over die verdeling in 4 waarbij er drie tegenover 1 staan. Ochtend, middag en avond versus nacht. Want ’n acht verwijst naar de eeuwige lus van het tegendeel.
2 Dus kunnen wij hier waarlijk spreken van een ‘mens en leven’ als de samenkomst van geest en lichaam.
3 Een geweldig tegenargument zou zijn dat dood een palindroom is en in zichzelf een eeuwige lus heeft. Dan zou het leven dat wij denken te ervaren ook zijn tegendeel zijn en slechts nevel.
4 Via de stoffelijke gedachte dat het volledig ontbonden lichaam is opgegaan in de aarde om ander leven te worden; misschien een worm die wordt gegeten of via celmigratie waar uiteindelijk een gewas groeit dat wordt geëxporteerd en gegeten op plaatsen ver van zijn oogstplaats.

zaterdag 12 maart 2011

?

Bitter en zoet
het moet gezegd:
Hetgeen dat ge doet
is goed noch slecht

zaterdag 12 februari 2011

ravenei

Hij zag het einde van de straat.
En toen was hij er voorbij.
Kiezels, modder en onkruid.
Niemand riep zijn naam
vanuit een struik of een open raam.
Er was geen geluid.

Dag vee. ’n Hiaat: zij had ‘n ster
Wij betoveren oor in hasj
Red zelden d‘r Kuikens Mooi
Den maan en jij ’n prima Z
Sterf en kom uit op ravenei, nu aan E
Genegeerd als uw I




· Een prima Z. Prima als nummer 1, de eerste, en Z is de laatste. De eerste en de laatste dus.
· Aan E is? Wordt E hier toegesproken, of is Z ‘aan E’ waarbij E een afkorting voor een verslavende substantie is (Ether? Ecstacy? Eigeelmilkshakes?)
· De genegeerde geofferde I wiens woorden werden herschreven en die zichzelf nooit zou herkennen. Alhoewel.. het is ‘uw I’. Is de I dan niet van de ‘wij’ uit regel 2? Waarschijnlijk niet.

Z E I is ‘zei’ als in sprak, vertelde, deelde mede. En toch ‘was (er) geen geluid.’ Mogen we ‘Niemand’ veranderen in ’n iemand’ en ‘geen geluid’ in ‘G, een geluid’? Dan wordt het
’n iemand riep zijn naam vanuit een struik of een open raam, er was G, een geluid.’ Op die manier lossen we veel op. We hebben nu de naam; G. Dit is immers wat ’n iemand riep (..) vanuit een struik’ (een struik die een open raam lijkt?) Nu weten wij dus dat G de eerste en de laatste is.
Echter. ‘Wij’ spreekt hier over ‘d’r kuikens’ en wanneer ‘den maan en jij’ sterven komen zij uit op een ravenei. Dan is ‘d’r’ dus een raaf en zijn er verschillende kuikens. Ja? Hm.. Is dit het Z-EI, het laatste ei? Wie zijn ‘wij’ dan als zij niet van de raaf en haar kuikens zijn?

Een stap-voor-stap opbreking van de eerste drie regels:
Dag vee
Het vee wordt toegesproken; de koeien,de schapen, de varkens.
’n Hiaat:
Er is een lacune, iets is vergeten of verdekt
Zij had ’n ster
Aan haar was een ster toebedeeld
Wij betoveren oor in hasj
De sprekers veranderen het gehoor onder invloed van hasj
Red zelden d’r kuikens mooi
Zij lijkt haar kinderen niet te helpen?

Wat heeft dit te betekenen? Gelooft zij niet meer in haar kinderen nu haar kinderen niet meer in haar geloven? (het hiaat uit de eerste zin en de omschrijving uit de derde zin gekoppeld als reden en gevolg) En wat is de juiste interpretatie van de tweede zin ‘Wij betoveren oor in hasj’ – is deze verandering baadt of schaadt? Wanneer we ’n iemand’ uit de vierde zin van het ‘origineel’ kunnen verbinden met ‘wij’ uit de tweede zin van het anagram schieten we al wat verder op. Helaas kan ik deze connectie niet onderbouwen.

Den maan en jij ’n prima Z
Het ontvangende lichaam en jijzelf zijn een eerste en laatste
Sterf en kom uit op ravenei
Na een einde zie je wat de wereld is
Nu aan E
De spreker wendt zich tot E (de mens?)
Genegeerd als uw I
Buitengesloten en verdraaid